Het communicatiemodel

 

Het communicatiemodel

NLP heeft een eigen kijk hoe ons  gedrag, waaronder ook spreken, tot stand komt. Deze kijk is door Bandler en Grinder weergegeven in het communicatiemodel. Dit model geeft je inzichten in waarom je wat doet of zegt. Hoe het komt dat er een specifiek communicatiepatroon ontstaat.

 

1.Prikkels

Elke moment komen er massa’s prikkels op ons af, beelden, geluiden, kleuren die we zintuiglijk opnemen. We ruiken, proeven, zien, horen en voelen. Ons zintuiglijk systeem is echter niet in staat om al deze zintuiglijke prikkels bewust waar te nemen. Gelukkig maar want we zouden helemaal gek worden van al deze info. Wij nemen selectief dingen waar.
Een voorbeeld: Ga eens met je aandacht naar alle dingen in je omgeving die blauw zijn. Binnen enkele seconden kun je er zeker een heleboel opnoemen. Als ik je nu vraag hoeveel auto’s er voorbij gereden zijn of welk liedje er daarnet aan het spelen was zul je dit waarschijnlijk niet gehoord hebben. Dit toont aan dat er maar een beperkt aantal prikkels door onze filters gaan of dat wij, door onze filters die we bewust of onbewust opzetten, slechts een beperkt aantal prikkels kunnen waarnemen.
Onderzoek van George Miller heeft uitgewezen dat wij maar zeer beperkt kunnen waarnemen. Wij kunnen per seconde slechts 5 – 9 zintuiglijke prikkels waarnemen. Dit betekent dat wij heel veel info wegfilteren en dat iedereen van eenzelfde prikkel iets anders kan waarnemen. Doordat iedereen op elk moment onbewust andere filters inschakelt geeft deze een andere betekenis aan de info of aan de prikkels die op ons afkomen. We laten ook info weg waarvan we ons niet bewust zijn. En toch gaan we ervan uit dat iedereen hetzelfde waarneemt van wat we gezien hebben. Een mooi voorbeeld hiervan zul je merken als je door twee aanwezige leden een verslag van een vergadering laat maken. Het verslag van deze twee personen zal er anders uitzien.


2.Filteren

Het filteren gebeurt al voor onze perceptie, al voor onze waarneming. Op het moment dat we info waarnemen zijn we ons vaak niet bewust van dit proces.
Op het moment dat de prikkels op ons afkomen voert ons neurologisch systeem een aantal processen uit.

2.1.Generaliseren

Generaliseren is het veralgemenen van info. In onze taal merken we dit vaak door de veralgemeningen die meestal weinig concrete informatie geven.
Als ik aan mijn 16 jarige dochter vroeg hoe de fuif gisteren was antwoordt ze: “ ‘t Was heel leuk”. Het zou haar teveel moeite en tijd vergen om in detail weer te geven hoe de fuif in wezen was. Er zijn teveel prikkels op haar afgekomen om dit nu weer te geven.
We nemen dus heel veel prikkels waar maar filteren veel info weg door te generaliseren.
Generalisaties in ons taalgebruik zul je wel herkennen.
Vb Brugge is een romantische stad. Brugge is veel meer dan alleen romantisch.
Vb Het was een avontuurlijke reis. Het woord ”avontuurlijk” wordt hier gebruikt als algemene indruk. Alle prikkels zijn dus gegeneraliseerd tot “avontuurlijk”

2.2.Vervormingen

Wat op ons netvlies komt, nemen we niet waar zoals het werkelijk is. Wat je denkt waar te nemen is meestal niet wat het werkelijk is. Denk maar eens aan een verkeersongeval. Twee verschillende getuigen vertellen een totaal ander verhaal over het ongeval. Iedereen neemt totaal andere dingen waar. Je hebt het wellicht al eens meegemaakt dat je een dode vogel in je tuin ziet liggen. Als je echt nader bij gaat lijkt het een stuk verdord tuinmateriaal.

2.3.Weglatingen

Je ziet enkel waar je op dat moment interesse in hebt. De rest van de info laat je onbewust weg. Je herkent wel het verhaal van de nieuwe auto. Als je op zoek bent naar een nieuwe BMW zal je op dat moment alleen maar BMW’s zien. Andere auto’s filter je gewoon weg. Op het moment dat ik aan het bouwen was, was ik op zoek naar een mooie voordeur. Op een bepaald moment reed ik op de Maalse Steenweg in Brugge. ik keek gefascineerd naar een groene deur, maar reed tegen de auto voor mij aan. Ik had weggefilterd dat ik midden het verkeer zat.

 

Oefening
Let eens 30 seconden op al wat bruin is in je omgeving. Schrijf op wat bruin is. Sluit nu je ogen en stel jezelf de vraag wat allemaal rood is in je omgeving. Waarschijnlijk heb je niks gezien wat rood is. Dit komt omdat we ons niet op alles tegelijkertijd kunnen focussen.
Zo kwam mijn partner eens thuis van een congres. Ik vroeg hem wat zijn vrouwelijke collega aan had en hij kon er niet op antwoorden. Hij heeft zich op dat moment enkel gefocust op de inhoud van het congres waardoor hij een hele boel info heeft weggefilterd.
Wij zijn ons dus enkel bewust waar we onze aandacht op richten. De rest filteren we automatisch weg naar ons onderbewustzijn. Dit wegfilteren is ook ergens een bescherming om niet overspoeld te worden door al deze prikkels.

Ons onderbewustzijn kan slechts een beperkt aantal prikkels verwerken. Vandaar dat het ook voor ons zorgt door een aantal prikkels gewoon weg te filteren.


3. Referentiekaders

De aard van de filters en de soort filters die we gebruiken zijn onder andere afhankelijk van ons referentiekader. Dit referentiekader bestaat uit al de ervaringen, overtuigingen, waarden, herinneringen, opvoeding, kennis en belevingen . Wat je waarneemt ga je plaatsen ten opzichte van dit referentiekader waardoor je er kunt betekenis aan geven.
Door het gebruik van deze en andere filters nemen we de realiteit nooit waar zoals deze werkelijk is. De werkelijkheid wordt door onze filters vervormd tot onze eigen werkelijkheid. Als 2 mensen het verhaal doen van een ongeval kun je 2 verschillende verhalen horen. Net deze invloed van dergelijke filters zorgt ervoor dat er soms misverstanden en foute communicaties ontstaan. Deze filters zorgen er tevens voor dat wij een beperkt taalpatroon hebben.
Het is onze taal die voor de weergave van de werkelijkheid zorgt welke dan nog een vervormde werkelijkheid is. Onze zinnen, onze woorden die de taalinhoud en de taalvorm bepalen zijn slechts de oppervlaktestructuur. Deze oppervlakte- structuur is tot stand gekomen nadat wij onbewust onze filters ingeschakeld hebben op de externe gebeurtenissen of op de externe informatie. Deze oppervlaktestructuur geeft dus nooit een totale weergave van de werkelijkheid. Onze werkelijkheid wordt gekleurd door onze referentiekaders.
Het is trouwens ook niet mogelijk om de referentiestructuur duidelijk uit te drukken met onze Nederlandse taal. Onze taal geeft dus niet een reële weergave van de werkelijkheid.


4.Betekenis

De betekenis wordt gelegd nadat we onze filters toegepast hebben op de informatie. Onze filters bepalen voor een stuk welke betekenis we geven aan de informatie die binnenkomt. Stel dat je als kind vaak gepest werd en daar een klein trauma van opgelopen hebt. De kans is groot dat, als je volwassen bent en geplaagd wordt door een collega je dit eerder gaat interpreteren als pesten. De betekenis ga je hier leggen op basis van vroegere ervaringen. Het gebeurt vaak dat kinderen die gepest worden ook later alles sneller zien in het kader van pesten terwijl een ander dit helemaal niet zo zal ervaren en er helemaal geen of totaal andere emoties zal bij hebben.